futs

Column: Assessments

De laatste weken voor de zomervakantie betekenen voor de meeste docenten dat het seizoen van schriftelijk werk nakijken en assessments afnemen begint. Ik heb het idee dat de combinatie van beiden zo langzaam de norm begint te worden in ons onderwijs. Je toetst schriftelijk of de theorie wel goed in de praktijk is uitgevoerd, en vervolgens mondeling of die uitvoering wel door de student zelf heeft plaatsgevonden, en niet door AI.

Het is eigenlijk een vreemde term, assessment. Het betekent letterlijk niet veel meer dan beoordeling of zelfs toetsing. In de praktijk gebruiken wij de term vooral voor vrijwel alle vormen van toetsen die iets anders dan puur schriftelijk zijn. Ik heb deze weken assessments die variëren van simpel ”vertel over hoe je verslag tot stand is gekomen” tot “laat de door jou ontwikkelde veiligheidsoefening uitvoeren door je medestudenten” tot “hou een persconferentie over de fictieve ramp die net heeft plaatsgevonden”.

Een voordeel van deze vorm, naast controleren of het denkwerk niet uitsluitend door ChatGPT of Copilot is gedaan, is dat het vaak een veel beroepsauthentiekere vorm van toetsen is. Een jaar of vijf geleden werd veel over beroepsauthentiek toetsen gesproken. Tegenwoordig hoor je het minder vaak, mede omdat onderwijskunde een uitgesproken trendgevoelige wetenschap is. Tegenwoordig zijn we meer bezig met learning communities enzo. Ook dat zal voorbijgaan.

Maar dat onderwijskundigen ergens vijf jaar geleden enthousiast over waren betekent niet noodzakelijkerwijs dat het totale onzin is. Wij leiden studenten op voor de beroepspraktijk, en in de beroepspraktijk hoef je zelden tentamens maken en slechts in een aantal gevallen uitgebreide verslagen.  Maar uitleggen wat je hebt gedaan, of wat je wilt gaan doen, en waarom? Dat moet bijna overal. Het eventuele schriftelijk werk geldt dan veel meer als context en voorbereiding voor de echte toets, een basis voor het stellen van scherpe vragen bijvoorbeeld. En dat werkt.

Maar ik denk dat we tegelijkertijd ook moeten onderkennen hoe kwetsbaar het is als toetsvorm. Ik kan het niet hardmaken met kwantitatieve gegevens, maar ik durf te wedden dat als je de cijfers van alle schriftelijke toetsen naast die van alle assessments legt, de laatstgenoemden gemiddeld beter scoren.

Docenten zijn ook maar mensen, de meeste althans, en het is een stuk gemakkelijker digitaal in Brightspace een onvoldoende te geven dan direct in het gezicht van een student die net live zijn best heeft gedaan. Ik heb een paar keer bij een afstudeerpresentatie een student moeten zeggen dat ze gezakt zijn, en dat is voor niemand een pretje, zeker niet als er trotse familie in de zaal zit. Dus er is zeker een druk om milder te oordelen.

Tegelijkertijd, wat moet een student die wel vindt dat hij onrechtvaardig behandeld is bij een niet-schriftelijke beoordeling? Bij een eventueel beroep is hij geheel afhankelijk van de getuigenis van de docent en de aantekeningen die deze heeft gemaakt. Of eventueel docenten, maar in de praktijk is het niet haalbaar om alles door meerdere mensen te laten beoordelen. Een schriftelijk werk kun je daarentegen altijd in zijn geheel door iemand anders laten beoordelen. Dat gebeurt in de praktijk (terecht) vrij weinig, anders zou elke student elke onvoldoende laten herbeoordelen, wat heb je immers te verliezen, maar het kàn wel.

Dit zou je nog kunnen ondervangen door alles te filmen, maar wij hebben totaal niet de infrastructuur omdat allemaal langdurig op te slaan. Of meer docenten per toets, maar wie heeft daar de uren voor, zeker in piektijden?

Met andere woorden, assessments zijn soms ook onbetrouwbaar, arbitrair en afhankelijk van subjectieve oordelen. Waarmee we studenten goed meteen voorbereiden voor het werkveld. Neem sollicitatiegesprekken: zijn er onbetrouwbaardere toetsvormen dan dat? En toch draait de wereld erop.

Zijn we toch lekker beroepsauthentiek bezig met zijn allen.