Mijn vingers in hoopvolle afwachting. Mijn hersenen die denken en denken, maar niet weten. Het tikken van de klok die niet in de ruimte aanwezig is en toch zo hoorbaar in gedachten. Een soep van letters die voor mijn ogen flitst terwijl ik staar naar het knipperende streepje waarvoor nog niets is verschenen.
Het wit confronterend en de ideeën in mijn hoofd ongrijpbaar. Snakkend naar dat ene woord waaruit een zin wordt geboren. Die eerste regel vanaf waar een alinea ontstaat. Een paragraaf – een van velen.
Maar na minutenlang met mijn vingertoppen de toetsen te hebben gestreeld ben ik nog steeds in het bezit van enkel het confronterende, verblindende wit: ik heb een writer’s block.
Het voelt vreemd; woorden suizen door me heen, maar ik kan ze niet in een logische volgorde plaatsen. Terwijl deze zin ter wereld komt vangen verschillende ingevingen mijn aandacht, en toch kan geen ervan worden verwezenlijkt op papier. Alsof een stevige rukwind ze mengt, het overzicht vernietigt, zodat er geen touw aan vast te knopen valt.
Wat gebeurt er? Is het de vertwijfeling die voortkomt uit iedere aangeslagen letter? Is mijn perfectionisme dusdanig dominant dat ik niet durf te kiezen tussen alle mogelijke zinsstructuren en woordcombinaties? Of ben ik simpelweg vermoeid?
Tijd om deze vragen te beantwoorden heb ik niet. De einddatum van het stuk nadert en lijkt als een metaforische vinger plagerig op mijn schouder te tikken. Ik besluit een stukje te lopen in de koelte van de buitenlucht – misschien bereikt me zo het inzicht waar ik wanhopig naar smacht.
Zucht. Mijn brein lijkt me te treiteren door me te voorzien van gedecideerde gedachten, waarna het deze afpakt en teruggeeft, om ze vervolgens direct weer weg te nemen. Mijn hartslag stijgt naarmate de seconden verstrijken. Ik probeer me te concentreren op het gezang van de vogels, maar lijk te worden overmeesterd door een onbekende kracht die me uit alle macht wil weerhouden van het krijgen van die ene prikkel.
Een soort drijfzand dat me meer inspiratie ontneemt des te meer ik mij ertegen verzet. Eenmaal thuisgekomen zwerf ik op het internet in de hoop mijn mentale leegte te kunnen vullen. Op datzelfde moment raak ik gefrustreerd. Die frustratie lijkt zich te vermenigvuldigen zodra ik tegengas geef. Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe de schemering de buitenwereld aait. Een dag is voorbijgegaan.
Vierentwintig hele uren, bedenk ik me, waarna ik ben geëindigd waar ik begon. Of toch niet? Mijn ogen stellen scherp op het vierkante wit, nu doorbroken door sporadisch zwart. Ik snuif, en mijn mondhoeken krullen omhoog.
Rubrieken
Gerelateerde artikelen
Column: Effe reflecteren
De herfstvakantie is voorbij en de eerste toetsweken van het studiejaar naderen met rasse schreden. Voor veel studenten betekent dit een drukke fase met tentamens, portfolio’s of presentaties, met als o zo geliefde kers op de taart: reflectieverslagen! Welke studie je volgt maakt niet uit: het reflectieverslag is een stapsgewijze kwelling voor iedereen.
Column: Treinleed
Het is verrassend fris als ik de achterdeur op slot draai en mijn fiets de tuin uit begeleid. Terwijl ik de dorpse klinkers oprijd ga ik vlug na of alles in mijn rugzak zit. Het was een lichtelijk gehaaste ochtend, en niet zonder gevolgen: in gedachten zie ik mijn laptoplader eenzaam aan zijn vaste stopcontact bungelen. Ik overweeg kort of hij vandaag nodig zal zijn, maar kom al gauw tot het oordeel: je gebruikt Adobe-programma’s op een Mac, Mirte. Niet opladen is geen optie.
Column: Een laatste eerste keer
Daar sta ik dan. OV-kaart in de hand – het laatste jaar voor hij verloopt. Het laatste jaar gratis met de trein, dankzij het studentenproduct. Het laatste jaar. Ik kijk opzij en zie gespannen hoofden met grote rugtassen eronder. Eerstejaars, denk ik, als ik hun leeftijd mag inschatten.