Dag in, dag uit zat ik vanaf de kerst op mijn zolderkamer te werken aan twee studieopdrachten. Voor het eerst geen opdrachten die je er in een paar dagen doorheen jaagt, maar iets waar je daadwerkelijk wat meer tijd in moet stoppen (tenminste, daar heb ik zelf wel voor gezorgd, perfectionist die ik ben). Eindelijk wat uitdaging. Ik leefde in wat ik inmiddels ben gaan noemen: de deadlinebubbel.
Die bubbel is overzichtelijk en comfortabel op een vreemde manier. Alles draait om één ding, en alles wat daarbuiten valt, schuif je zonder schuldgevoel vooruit. Appjes, afspraken, mails, alles krijgt hetzelfde label: ‘Kan later’. En het fijne is dat niemand daar echt iets van kan zeggen, want je hebt een geldig excuus. Deadlines zijn sociaal geaccepteerde afwezigheid.
Mijn to-do-lijst werd voorafgaand aan (en tijdens) die bubbel alleen maar langer, maar dat deed er even niet toe. Zolang ik in de bubbel zat, bestond die lijst even niet. Op de korte termijn gaf dat rust. Ik werk namelijk niet zo goed parallel. Ik werk liever lineair. Eén ding, één klusje, één opdracht tegelijk, en dan op een goede manier. Niet vijf weken half tussendoor tien verschillende dingen, maar liever één week alles geven en het dan afronden.
Burn-out?
En eerlijk is eerlijk: het werkte. Ik was moe en mentaal overleden, maar gefocust. Mensen zeggen dan dat ik moet oppassen dat ik niet richting een burn-out ga. Begrijp ik ook helemaal, maar ik vind het nog wel meevallen. Na deze hogen pieken neem ik ook wel wat rust. Maar ergens haal ik uit het harde werken ook veel voldoening. Het gevoel dat je iets afmaakt, dat er weer iets van die eindeloze lijst afgestreept kan worden, werkt verslavend geruststellend.
Totdat de deadlines voorbij zijn. Want dan barst de bubbel.
Opeens zijn er geen harde excuses meer. Geen deadlines om je achter te verschuilen. Geen legitieme reden om dingen vooruit te schuiven. En ineens willen mensen weer van alles. Afspreken, reageren, meedenken, plannen maken. Dingen waar ik wekenlang geen mentale ruimte voor had, en eerlijk gezegd ook nog geen enkel verlangen naar voel.
Stilte
Dat is misschien nog wel het lastigste moment. Niet het werken zelf, maar de stilte erna. Het moment waarop je batterij leeg is, maar iedereen ervan uitgaat dat je automatisch weer beschikbaar bent. Alsof het inleveren van een opdracht gelijkstaat aan opladen. Terwijl ik me vooral voel alsof iemand net de stekker eruit heeft getrokken.
Het vreemde is dat ik me in die deadlinebubbel beschermd voelde. Beperkt, zeker, maar ook veilig. Buiten de bubbel voelt alles weer open, rommelig en ongeordend. Alles wat ik heb vooruitgeschoven ligt ineens weer op tafel. De to-do-lijst is weer terug, en hij is niet bepaald korter geworden.
Ik zit nu in die ongemakkelijke tussenfase. Moe, maar ook voldaan. Niet tevreden - dat lukt me eigenlijk nooit - maar wel klaar. En toch moet ik alweer vooruitkijken.
Afgelopen maandag begon weer een intense projectweek. Een nieuwe bubbel. Een nieuw excuus om even nergens anders aan te hoeven denken.
Rubrieken
Gerelateerde artikelen
Column: Nachtwerker
Het rooster kwam online en ik wist meteen: dit kwartiel ga ik zo niet overleven. Drie dagen achter elkaar om 8:30 beginnen. Niet weer… Vorig kwartiel ook al! Ik hoor je al: “Boehoe, weer een student die niet vroeg uit bed wil.” Ja, terecht. Ochtendmensen zien dit rooster als een cadeautje en hebben niet veel te klagen.
Column: Tweedehands denkers
In de eerste lesweek na de zomervakantie zat ik op de zesde verdieping van het Epy Drost-gebouw in Enschede. Ik hoorde een groepje nieuwe eerstejaars bezig met dezelfde kick-off-opdracht die ik vorig jaar ook moest doen. Toen zei één van de studenten: “Oh ja, dáág, die briefing ga ik niet zelf lezen. Ik gooi ’m wel even in ChatGPT.”
Nieuwe studentcolumnist Jonah Geurs: “Ik zie deze rol ook een beetje als zelftherapie”
Hij ligt wakker van existentiële vraagstukken, noemt zichzelf ‘een persoonlijke pretverpester’, en heeft een grenzeloze nieuwsgierigheid. CB-student Jonah Geurs schrijft vanaf deze week maandelijks een column voor SaxNow. En hij geeft toe: “Ik ben misschien iets anders dan mijn medestudenten.”