Soms lig ik 's nachts in het gras en denk maar één ding: hoe kán dit nou?
Dat komt door een nieuwe hobby, die ik ongeveer een jaar geleden oppikte: met een telescoop het donker in, op zoek naar verre hemelobjecten en die fotografisch vastleggen. Terwijl het apparaat zijn werk doet, lig ik ernaast omhoog te kijken én na te denken.
Overdag pieker ik toch al over van alles. Of ik die ene opdracht wel afkrijg, of ik wel genoeg doe, of het wel goed genoeg is. Of ík wel genoeg ben. Alsof dit werk, deze verzonnen bezigheden, er echt toe doen. De drukte van het leven duwt me soms naar beneden. Maar na vijf minuten onder de sterren wordt dat allemaal oneindig klein. Terwijl iedereen ligt te slapen en er boven me, bij wijze van spreken, triljoen triljarden sterren zweven, krijg ik de ademruimte om na te denken over grotere dingen.
Denkruimte
En met grotere dingen bedoel ik ook echt onmogelijke dingen. Hoe kán het dat het grootste deel van de atomen in mijn lichaam zwaarder dan waterstof en helium miljarden jaren geleden gevormd zijn in het hart van een ster, en dankzij een supernova - het hart van die ster die explodeerde - de ruimte in werden geslingerd?
Hoe kán het dat er hier een planeet ontstond op juiste afstand van een zon, precies genoeg zwaartekracht en precies genoeg atmosfeer om ons te beschermen tegen straling en ruimtepuin?
Hoe kán het dat op deze planeet uit een toevallige klontering moleculen op een gegeven moment een organisme ontstond dat zichzelf kon kopiëren, en dat het daarna nog eens drie miljard jaar duurde voor daar iets meercelligs uit evolueerde?
En hoe kán het dat we, na al die moeite, misschien wel de enige plek zijn in onze omgeving waar leven is, terwijl er in de honderden miljarden andere sterrenstelsels, elk met weer miljarden sterren, vast nog van alles gebeurt waar we nooit achter zullen komen? Ik kan het bijna niet omvatten.
Ego
Wat ik daarnaast nooit heb begrepen: hoe mensen hier volkomen ongeïnteresseerd in kunnen zijn. Hoe je omhoog kunt kijken zonder ook maar even stil te vallen.
We komen allemaal uit dezelfde oersoep, het kosmische toeval dat er hier ooit leven ontstond, en dat vergeten we in het dagelijks leven erg makkelijk. We lijken als mens al sinds het begin verdoemd tot onze eigen zelfvernietiging: we verklaren oorlog aan onze eigen soort, roeien andere soorten stelselmatig uit, en kunnen aan onszelf op elk moment een einde maken. Hoe is dat in vredesnaam mogelijk?
Ik geloof oprecht dat iedereen, en dan vooral iedereen met een beetje invloed, verplicht op een heldere nacht even buiten zou moeten liggen. Niet om zoveel vragen op te roepen als ik krijg, maar gewoon om zich heel even minuscuul te voelen. Een soort collectieve ego-limiter. Een koning, president, dictator, CEO: het zijn allemaal net zo goed afstammelingen van dezelfde samenklonteringen als jij en ik, toch gedragen ze zich vaak daar niet naar.
Escapisme
Een deel van dit alles is natuurlijk gewoon escapisme. Liever kijk ik naar iets dat ik toch nooit ga begrijpen, dan naar het journaal, of naar mezelf. Maar toch krijg ik het gevoel van iets kwetsbaars dat ik wil beschermen. We zitten vast in ons eigen hoekje van het heelal, terwijl al het andere langzaam wegdrijft door kosmische expansie. Carl Sagan schreef dat er in al die duisternis geen enkel teken is dat er hulp van buitenaf komt. We moeten het dus met elkaar doen, en dat voelt intimiderend. Er is geen failsafe.
Toch is dat niet alleen beangstigend. Pers de 13,8 miljard jaar geschiedenis van het heelal samen tot één jaar: de onverklaarbare oerknal gebeurt op 1 januari, de aarde ontstaat in augustus, en de mens verschijnt pas een paar seconden voor middernacht op 31 december. Alles wat we ooit hebben gedaan, gebouwd en kapotgemaakt past in die oogwenk. We staan denk ik nog maar net aan het begin van wat we kunnen bereiken.
Misschien lig ik daarom steeds weer buiten. Niet voor antwoorden, want die komen toch niet, maar omdat die nietigheid me iets geeft wat ik overdag niet vind: het besef dat bijna alles waar ik me zorgen over maak minder belangrijk is dan het voelt, en ik me er niet zo druk om hoef te maken.
Het Andromedastelsel, ons dichtstbijzijnde buurstelsel op 2,5 miljoen lichtjaar. Foto: Jonah Geurs
Rubrieken
Gerelateerde artikelen
Column: Leeftijdsdissonantie
Op de basisschool zat ik in de pauze liever naast de conciërge op een bankje dan op het klimtoestel. Ik vond dat op dat moment heel normaal. Terugkijkend vraag ik me af of dat zielig was of gewoon vroeg wijs. Waarschijnlijk allebei een beetje.
Column: Niksmaxxen
Er is een trend onder jongeren die me niet zozeer kwaad maakt als wel verdrietig. Looksmaxxing heet het: jezelf fysiek optimaliseren tot het uiterste.
Column: Ambitieballon
De laatste tijd heb ik het gevoel dat het leven een beetje aan me voorbij glipt. Niet omdat er te weinig gebeurt, eerder het tegendeel.